Leestafel > Juridische vaktaal

Juridische vaktaal, de oneindige lus en Poesje mauw

Over de wenselijkheid van taalonderwijs in de opleiding van juristen

Gerd Weyers

Juristen vertalen! Om te leren zien hoe de juridische vaktaal in elkaar zit en werkt, zou taalonderwijs en misschien zelfs vertaalonderwijs (als vingeroefening) in de opleiding van juristen een vast onderdeel van het curriculum moeten zijn. Zowel op het vertalen als op het formuleren van juridische teksten is immers het principe van de ‘oneindige lus' van toepassing in de betekenis van een hermeneutische denkbeweging die voorvloeit uit het spanningsveld en samenspel van vorm en inhoud. Of zoals Marjolijn Februari (2006) het stelt: het is ‘juist voor juristen van belang te leren dat vorm en inhoud onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Juist juristen zouden moeten leren dat een kleine verandering in woordkeuze grote gevolgen heeft voor de betekenis van een tekst.'

Juristen vertalen. In veel gevallen zonder zich daar bewust van te zijn. ‘De verkoper verkoopt aan de koper' wordt vertaald in ‘Verkoper verkoopt thans aan wederpartij'. Het zou goed zijn als juristen zouden beseffen dat hun taalgebruik wordt bepaald door een aantal zonder meer beschrijfbare vaste ‘vertaalslagen' of beter transformatieregels. Een van deze regels zou kunnen luiden: laat lidwoorden zoveel mogelijk achterwege (Verkoper verkoopt thans aan wederpartij ...). Of: is eenmaal gekozen voor ‘thans' in plaats van ‘nu', kan vervolgens ‘dus' en ‘vandaag' niet meer worden gebruikt en zijn ‘derhalve' en ‘heden' verplichte keuzes. Of: gebruik zoveel mogelijk archaïsmen. Zet je klant dus niet op de fiets, maar je cliënt op het rijwiel.

Vertalen en wiskunde Toen de befaamde mathematicus Douglas R. Hofstadter ontdekte dat het door hem in het boek Gödel Escher Bach (Hofstadter 1979) beschreven principe van de oneindige lus ook op het vertaalproces van toepassing is (Hofstadter 1997), had hij als oefenmateriaal in plaats van A une Damoyselle malade van Clément Marot (1496 - 1544) net zo goed Poesje mauw kunnen kiezen:

Poesje mauw,
Kom eens gauw:
Ik heb lekk're
Melk voor jou!

En voor mij:
Rijstebrij.
O, wat heerlijk
Smullen wij!

Poesje mauw wordt geassocieerd met ‘schattig' en ‘lief'. Waarop berust dit effect? Is het alleen de inhoud? Of is het de vorm die de perceptie een bepaalde richting in stuurt? Elke regel bevat drie lettergrepen, behalve de telkens derde regel (daar zijn het er vier). Verder gebruikt het dichtwerkje een eenvoudig rijmschema. Meer vormkenmerken zijn er niet. Maar de vorm is wel bijzonder strak. Voor overpeinzingen biedt zij geen ruimte.

Hofstadter ontdekte, zoals gezegd, dat het beeld van de oneindige lus zeer geschikt is om te laten zien dat er aan een vertaling altijd nog wel iets te verbeteren valt, zelfs bij technische vertalingen (maar dan steeds volgens dezelfde regels en patronen). Hij koos, om dit te demonstreren, niet voor Poesje mauw, maar voor A une Damoyselle malade, waarschijnlijk om de prozaïsche reden dat zijn Frans beter is dan zijn Nederlands.

De oneindige lus Sinds zelfs de Frankfurter Schule (Adorno, Habermas) de dialectische hermeneutiek heeft omarmd, lijkt het pleit te zijn beslist. De hermeneutische cirkel is niet meer weg te denken uit de kennistheorie. De hermeneutische cirkel is een oneindig proces van in- en uitzoomen, van concretiseren en abstraheren, van ‘Verfremdung' en ‘Aneignung' met het doel om het object van studie te begrijpen én te verwoorden. Want het verwoorden structureert het begrijpen. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat filosofen altijd een grote belangstelling voor het vertalen hebben gehad. De vertaler immers begrijpt en verwoordt. Als het goed is althans.

De oneindige lus is anders dan de uit de informatiekunde bekende ‘eindeloze' lus. De computer kan in een eindeloze lus terechtkomen: hij maakt almaar dezelfde ‘berekeningen' en komt daar niet meer uit. De oneindige lus is spiraalvormig, als een lint in de ritmische gymnastiek. De hermeneutische cirkel in zijn dialectische vorm van these, antithese en synthese is driedimensionaal. Deze oneindige lus heeft geen begin en geen einde en maakt een beweging die de derde dimensie in gaat. Kennis en inzicht komen op een steeds hoger niveau te liggen. Dit geldt zowel voor de individuele als de collectieve kennisverwerving.

Het vertaalproces Achilles kan heel hard lopen. De schildpad niet. Niettemin daagt zij hem uit voor een wedstrijdje. Achilles loopt tien keer zo hard als zij, is haar axioma. Zij vraagt daarom om een voorsprong van 1000 meter Achilles stemt hiermee in. Vermoedelijk heeft deze wedstrijd nooit plaatsgevonden, want dan was gebleken dat Achilles de schildpad wel degelijk had ingehaald. Waarschijnlijk heeft de schildpad tegen Achilles gezegd dat je van lopen moe wordt en dat je die moeite niet hoeft te doen als je samen een rekensommetje maakt: ‘Als jij 1000 meter gelopen hebt,' zei de schildpad, ‘zit ik op 1100. Loop jij dan 100, loop ik er weer 10. Loop jij die 10, loop ik er een. Zo kunnen we eeuwig doorgaan. Jij zult mij nooit inhalen al wordt mijn voorsprong nog zo klein.' Achilles, die op school niet zo heel goed had opgelet, was blij dat hij het sommetje begreep en gaf zich gewonnen.

Deze door Zeno van Elea bedachte paradox beschrijft heel mooi de oneindige lus van het vertaalproces. Via de hermeneutische cirkel wordt de vertaling almaar beter, maar is nooit af. Zoals de voorsprong van de schildpad naar nul convergeert, maar nooit nul wordt. Het vertaalproces is oneindig recursief. Een keuze in de voorlaatste zin kan je weer terugbrengen naar het begin. Elke correctie kan weer andere correcties tot gevolg hebben. Vanuit de oppervlaktestructuur (Chomsky) van de brontaal ga je via de gemeenschappelijke universele syntactische en semantische dieptestructuur van beide talen naar de oppervlaktestructuur van de doeltaal. De semantische elementen van de brontaaltekst moeten in kaart worden gebracht en talig worden omgezet volgens de spelregels van de doeltaal. De syntactische vrijheid is daarbij zeer groot, maar in het geval van vaktalige teksten gebonden aan de constitutieve (overwegend) syntactische kenmerken van die vaktaal in de betreffende doeltaal. Onderzoek heeft uitgewezen dat ook in de vertaaldidactiek een dergelijke benadering aanmerkelijk meer oplevert (leesbare vertalingen namelijk) dan een woord-voor-woord-vertaling.

Hofstadters oefenmateriaal Hofstadter heeft het beeld van de oneindige lus in stelling gebracht om uit te leggen hoe onder andere de trompe-l'oeils van Escher wiskundig in elkaar zitten. De filosofen zijn zich voor het vertalen gaan interesseren, maar de mathematici kennelijk ook. Hofstadter verzamelde voor zijn boek Le Ton Beau de Marot een grote hoeveelheid vertalingen van het gedicht A une Damoyselle malade. Van dit gelegenheidsgedicht vervaardigde Hofstadter bovendien zelf tal van Engelse vertalingen die met telkens nieuwe inzichten (ook in het Franse origineel) als het ware laag voor laag over elkaar kwamen te liggen. Een van zijn meest geslaagde pogingen luidt:

Ma mignonne
Je vous donne
Le bon jour ;
Le séjour
C'est prison :
Guérison
Recouvrez,
Puis ouvrez
Votre porte,
Et qu'on sorte
Vitement :
Car Clément
Le vous mande.
Va, friande
De ta bouche,
Qui se couche
En danger
Pour manger
Confitures ;
Si tu dures
Trop malade,
Couleur fade
Tu prendras,
Et perdras
L'embonpoint.
Dieu te doint
Santé bonne
Ma mignonne.
My sweet dear,
I send cheer -
All the best!
Your forced rest
Is like jail.
So don't ail
Very long.
Just get strong -
Go outside,
Take a ride!
Do it quick,
Stay not sick.
Ban your ache,
For my sake!
Buttered bread
While in bed
Makes a mess,
So unless
You would choose
That bad news,
I suggest
That you'd best
Soon arise,
So your eyes
Will not glaze.
Douglas prays
Health be near,
My sweet dear.

Wie zonder enige voorkennis aan het vertalen van het gedicht begint, zal min of meer achtereenvolgens de volgende ontdekkingen doen. Elke regel bevat drie lettergrepen. De klemtoon ligt telkens op de laatste lettergreep. Het rijmschema is net als bij Poesje mauw heel eenvoudig. Hier is het aa, bb, cc enz. De eerste regel is identiek aan de laatste. Er zijn nogal wat enjambementen (de semantische eenheid is niet identiek aan de gepaarde rijm). De tekst wordt halverwege informeler (tu in plaats van vous) en de dichter blijkt de ‘ik' te zijn: Clément. De vertaling van Hofstadter vertoont dezelfde vormkenmerken: drie lettergrepen, rijmschema aa, bb, enz., enjambementen. De ‘ik' geeft eveneens zijn naam, Douglas, echter pas in regel 26, terwijl Clément zijn identiteit reeds in regel 12 onthult. Vanaf regel 14 wordt de Franse tekst informeel (tu). Deze overgang, van het ook qua woordkeuze formele register naar een bijna badinerende toonzetting, lijkt in het Engels overigens enigszins te ontbreken.

Vermoedelijk via de associatie met Poesje mauw, immers een dier, ‘had' ik bij mijn eigen vertaalpoging al snel de twee beginregels. Ik besloot niet meer naar alternatieven te zoeken, maar te proberen op deze voet door te gaan. Binnen enkele minuten volgde de rest ‘vanzelf':

Kom eens hier,
Lekker dier!
Ik ben triest:
Jij verliest
Alle hoop
In de loop
Van de dag.
Welk gelag!
Word gezond,
Eet terstond.
Neem patrijs
En dan ijs.
Mijn idee:
Jij komt mee;
Ondanks griep
In 't geniep
Vrijen wij
Op de hei,
In het groen.
Geef een zoen!
Geef er twee,
Holadijé.
Geef er drie!
Wie is wie?
Jij en ik,
Dikke mik.
Lekker dier,
Kom eens hier.

Auto-generatief De eerste keuze structureert de volgende. Indien de eerste twee regels luiden ‘Kom eens hier, lekker dier', vernauwt dat, net als bij een schaakpartij, alle volgende besliswaaiers, maar er blijven, net als bij het schaken, oneindig veel mogelijkheden over. De vorm is sterk sturend. Kom je uit bij ‘lekker dier', heb je de late Middeleeuwen al verlaten en zit je al bijna vast aan een licht erotische ‘afwikkeling'. Dit laatste geldt ook voor de schitterende vertaling van Marjolijn Februari (2006). Na ‘lekker dier' begint de tekst zichzelf te genereren. De besliswaaier wordt steeds minder breed. Opvallend is ook dat bijna alle vertalingen steeds informeler en frivoler (‘dikke mik') worden: kennelijk een effect van het ‘vrolijke' metrum. Clément Marot wordt Boris Vian.

Gedichten met een strakke vorm beperken de inhoudelijke keuzes, zijn dus sterk auto-generatief. Marjolijn Februari verwoordt dit mechanisme als volgt: ‘Ieder nieuw woord dat je kiest, dwingt je in een andere richting en zorgt voor een nieuwe betekenis. Zo beland je vanzelf op plaatsen die je nooit had verwacht.' (Februari 2006)

Juridische vaktaal Het auto-generatieve tekstkarakter kan, zij het in mindere mate, ook worden geclaimd voor juridisch taalgebruik. De transformatie van algemeen taalgebruik (A) naar juridisch taalgebruik (J) is feitelijk een vertaalproces dat de tekst, zodra de eerste keuze is gemaakt, een bepaalde kant op stuurt. Twee voorbeelden (op zinsniveau):

A Ja, meneer, ik heb dat schilderij gejat en verpatst. Maar daar heb ik nu spijt van.
J Cliënt verklaart zich wederrechtelijk een schilderij te hebben toegeëigend en dit vervolgens te hebben vervreemd. Een en ander betreurt hij thans.

A Mag ik ook chips?
J1 Kun je mij de chips overhandigen mij uit dit pak toekomende?
J2 Alle kosten op deze overeenkomst vallende, zijn voor rekening van koper.

J1 en J2 zijn wat de bijvoeglijke bepaling betreft, syntactisch identiek. In beide gevallen wordt de dieptestructurele functie ‘bijvoeglijke bepaling' in de oppervlaktestructuur met een deelwoordconstructie rechts van het zelfstandig naamwoord gerealiseerd. Dus: Alle kosten op deze overeenkomst vallende, zijn voor rekening van koper. En niet: Alle kosten die op deze overeenkomst vallen, zijn voor rekening van koper. J1 is natuurlijk een volstrekt onwaarschijnlijke zin, die echter duidelijk maakt ‘hoe snel de vorm aan de haal kan gaan met de inhoud' (Februari 2006).

Deze uit het Frans overgenomen constructies zijn kenmerkend voor het juridisch taalgebruik in het Nederlands (in het Duits bijvoorbeeld niet). Immers: het Ontwerp Burgerlijk Wetboek uit 1806/07 is grotendeels een vertaling van de Code Civil, vervaardigd door de jurist/vertaler J. van der Linden. Vallen in voorbeeldzin J2 is een archaïsme. Naast vele andere - zonder meer beschrijfbare (Weyers 1992) - kenmerken behoren archaïsmen tot de constitutieve elementen van het juridisch taalgebruik. Denk bijvoorbeeld aan thans/nu, derhalve/dus, voorts/daarnaast, heden/vandaag, onderhavig schrijven/deze brief.

Een jurist zit dus vast aan een bepaalde syntaxis, maar ook een bepaald woordgebruik en aan termenparadigma's die wij als juridisch taalgebruik identificeren. Auto-generatief betekent in dit geval dat er, wil een jurist als jurist overkomen, bepaalde keuzes op syntactisch en terminologisch niveau gemaakt moeten worden die weer andere keuzes tot gevolg hebben.

Wie A zegt, moet ook B zeggen. In dat opzicht bepaalt ook hier de vorm de inhoud en met name de manier van denken. Wie eenmaal kiest voor een bepaalde terminologische ‘la', kan niet meer terug, maar zit in de juridische ‘oneindige lus' die als een kopie van een kopie van een kopie (ofwel de in de loop der eeuwen opgebouwde wetenschap) zijn perceptie en reproductie van vorm en inhoud op dezelfde wijze structureert als die van zijn vakbroeders.

Taal-/vertaalonderwijs In de ‘global village' biedt meertaligheid geweldige kansen. Wie een andere taal bestudeert, begeeft zich ook in een andere cultuur. De dialoog met andere culturen leert je dat alles anders kan zijn dan je dacht.

Taalonderwijs moet een belangrijk onderdeel zijn van de rechtenstudie, al was het alleen maar om de eigen taal te vervolmaken en haar gelaagdheid te verkennen. Laat dit onderwijs in een snel internationaliserend rechtslandschap ten dele ook vertaalonderwijs zijn. Je leert dat alles anders kan lopen dan je had gewild. Je leert relativeren. Je leert vragen te stellen en antwoorden te geven. Je moet knopen doorhakken. Je wordt er kritischer van. Want vertalen is de meest kritische vorm van lezen (Weyers 1999). Immers: ‘Die hermeneutische Befragung von Texten hat mit der ‘Befragung der Natur im Experiment' eins gemeinsam: beide verlangen eine wohlerworbene Kunstfertigkeit, die nach generellen Regeln verfährt.' (Habermas 1973, p. 221)

Bezig zijn met vreemdtalige teksten van het moeilijkere soort betekent in- en uitzoomen op de inhoud, kijken en wegkijken, concretiseren en abstraheren, vragen stellen en met die vragen terug gaan naar het object van studie, antwoorden en oplossingen vinden. Het is precies die taalkundige competentie die de jurist in zijn latere beroepsuitoefening nodig heeft.

Aangehaalde bronnen


Marjolijn Februari, ‘Kom genees eet wat vlees', de Volkskrant, 16 december 2006, het Betoog

Jürgen Habermas, Erkenntnis und Interesse, Frankfurt am Main 1973 (Suhrkamp)

Douglas R. Hofstadter, Gödel Escher Bach, een eeuwige gouden band (vert. Ronald Jonkers), Amsterdam 1985 (Contact)

Douglas R. Hofstadter, Le Ton Beau de Marot: In Praise of the Music of Language, New York 1997 (Basic Books)

Gerd R. Weyers, Die Sprache des deutschen und des niederländischen Rechts, in: Weyers, Praktisch Juridisch Duits. Einführung in das Recht und die Rechtssprache der Bundesrepublik Deutschland, 240 pp., Alphen aan den Rijn (H.D. Samsom Tjeenk Willink) 1992, p. 81 - 108

Gerd R. Weyers, Das Übersetzen von Rechtstexten: eine Herausforderung an die Übersetzungswissenschaft - Betrachtungen zur deutschen Fassung des EG-Vertrags und zur deutschen Übersetzung des niederländischen Bürgerlichen Gesetzbuches, in: Gerard-René de Groot/Reiner Schulze, Recht und Übersetzen, Baden-Baden 1999 (Nomos), S. 151 - 174