Leestafel > Verborgen gebreken > pag. 1

De regeling van de verborgen gebreken (1)

pag. 1 | pag. 2 | pag. 3

door Louise Jakobs (januari 2005)

Inleiding


Wat kan de koper doen als hij een paard heeft gekocht waarvan later vast komt te staan dat het aan een bepaalde aandoening of ziekte lijdt? Met enige regelmaat verschijnen in vaktijd­schriften voor de paardensport[i] artikelen over de vraag welke regels in zulke gevallen gelden. Daarbij gaat het dan met name om de aansprakelijk­heid van de (beroepsmatige) verkoper voor (verborgen) gebreken van het paard die zich pas openbaren nadat de koop tot stand is gekomen, en om de rechten die de consument-koper in dit geval heeft.

Juist op het gebied van de consumentenkoop heeft in de laatste jaren mede onder invloed van Europese regelgeving een aantal veranderingen plaatsgevonden waarover, gezien de discussie over dit onderwerp in de paardenwereld, enige verwarring is ontstaan.

Naar aanleiding van de boven geschetste problematiek wil ik in deze scriptie de vraag bespreken hoe de regeling van de verborgen gebreken zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld. Hierbij zal de koop van een paard als casus dienen. Het doel is om de regeling van de verborgen gebreken in het Romeinse recht en haar ontwikkeling in het hedendaagse Nederlandse recht te beschrijven en te analyseren waarbij in verband met de implementatie van op dit gebied tot stand gekomen Europese regels ook enig rechtsvergelijkend onderzoek zal worden gedaan.

In het eerste hoofdstuk zal ik ingaan op de koop zoals die geregeld was in het (klassieke) Romeinse recht waarbij met name aandacht zal worden besteed aan de rechtsmiddelen voor verborgen gebreken bij de koop van slaven en trek-/lastdieren omdat daarvoor specifieke regels golden en omdat deze regels tot de dag van vandaag bepalend zijn geweest voor de ontwikkeling van het recht op dit gebied. In het tweede hoofdstuk zal ik de regeling van de verborgen gebreken resp. het non-conformiteitsleerstuk in het Nederlandse recht behandelen waarna ik in hoofdstuk 3 in zal gaan op de aanpassingen op dit gebied onder invloed van de Europese regelgeving. Daarbij zal ik ook aandacht besteden aan de desbetreffende wetgeving in drie andere Europese landen (Duitsland, België en Frankrijk). Het vierde hoofdstuk zal een vergelijking van de verschillende regelingen naar Romeins en naar Nederlands recht evenals een analyse van de overeenkomsten en verschillen bevatten.

I   Verborgen gebreken in het Romeinse privaatrecht


I.1 Kort overzicht van de geschiedenis van het Romeinse privaatrecht

De geschiedenis van het antieke Romeinse recht bestrijkt meer dan duizend jaar en begint globaal met de wet van de XII tafelen van ca. 450 v. Chr. om uiteindelijk uit te monden in de codificatie van de Oost-Romeinse keizer Justinianus[ii] in de 6e eeuw n. Chr. Ter structurering van de geschiedenis van het Romeinse privaatrecht, het rechtsgebied dat de meeste invloed heeft gehad op latere rechtssystemen, wordt meestal een onderscheid gemaakt tussen ten minste drie perioden[iii]: het oud-Romeinse recht (tot de tweede helft van de 3e eeuw v. Chr.) op basis van de wet van de XII tafelen en het gewoonterecht, het voorklassieke recht (ca. 250 tot 27 v. Chr.) en het klassieke recht (ca. 27 v. Chr. tot 250 n. Chr.) en tenslotte de naklassieke periode, afgesloten met de codificatie van keizer Justinianus.

In de oud-Romeinse periode van de rechtsontwikkeling die ongeveer samenvalt met de Koningstijd (tot 510 v. Chr.) en het begin van de republiek (510 - ca. 250 v. Chr.), is Rome een uitsluitend agrarisch georiënteerde staat waarin de kennis van het recht nog berust bij de priesters (pontifices). De belangrijkste rechtsbronnen zijn de wet van de XII tafelen en de gewoonte.

In de 3e eeuw v. Chr., de tijd van de jongere republiek (tot 27 v. Chr.), breidt de macht van Rome zich steeds verder uit en verandert het karakter van de Romeinse staat van een agrarisch georiënteerde naar een meer stedelijke maatschappij. In deze voorklassieke periode wordt mede onder invloed van Griekse filosofische denkbeelden de grondslag gelegd voor de professionele rechtswetenschap waarbij lekenjuristen de interpretatie van het recht overnemen van de priesters. Deze voorklassieke juristen treden op als adviseurs (iurisconsulti) van de magistraten (gekozen functionarissen die de macht van de vroegere koningen hebben overgenomen) en als schrijvers van rechtsgeleerde werken. Zij zijn de grondleggers van de Romeinse rechtswetenschap die in de hierop volgende klassieke periode volledig tot bloei komt. In de klassieke periode (de eerste tweeëneenhalve eeuw na Christus) die ongeveer overeenkomt met de tijd van het principaat, het gematigde keizerschap, zijn de zgn. klassieke juristen actief die de Romeinse rechtswetenschap tot grote hoogten hebben gebracht. Zij werken als adviseurs van de magistratuur en van de keizer en als schrijvers van commentaren voor de juridische praktijk en van leerboeken voor toekomstige juristen. Aan het einde van de klassieke periode zijn de constituties van de keizer de enige bron van nieuw recht naast het zgn. ius[iv]. In deze tijd vervullen enkele van de juristen de hoogste functies in het rijk.[v]

In de aansluitende naklassieke periode (ruim vier eeuwen na de klassieke periode) werken de grote juristen vooral in dienst van de keizerlijke administratie. De macht van de keizer wordt in deze tijd steeds verder vergroot (absolute monarchie, dominaat) waardoor de invloed van de magistraten steeds meer afneemt. Ook nu zijn het vaak de juristen die de hoogste posten binnen het keizerrijk bekleden. In deze tijd worden er nauwelijks nog nieuwe rechtsgeleerde werken geschreven. In 395 n. Chr. wordt het Romeinse rijk opgedeeld in een West- en een Oost-Romeins deel waar het recht zich op verschillende manieren ontwikkelt. In het Westen vindt mede onder invloed van de economische en sociale neergang de voortzetting plaats van de zgn. vulgarisering[vi] van het recht die reeds in de klassieke periode begint doordat vooral in de provincies van het Romeinse rijk juristen van minder hoog niveau werkzaam zijn. In het oostelijk deel kan de vulgarisering met succes worden tegengehouden, mede dankzij het ontstaan van rechtsscholen die zich de conservering van de klassieke rechtswetenschap tot doel hadden gesteld. Uiteindelijk wordt de periode van het naklassieke recht in het Oosten afgesloten met de codificering van het oude keizerlijke recht (in de Codex, 529 n. Chr.) en van het juristenrecht (in de Digesta en de Institutiones, 533 n. Chr.) die samen vanaf de late Middeleeuwen Corpus Iuris Civilis worden genoemd.

Aan het einde van de 11e eeuw wordt in Bologna, Italië, na de herontdekking van de Digesta begonnen met de theoretische bestudering van het Romeinse recht. Deze studie van de Romeinsrechtelijke teksten in Bologna, het centrum van de wetenschappelijke opleiding van juristen, markeert het begin van de zgn. receptie van het Romeinse recht in heel Europa. Op deze wijze kon het gedachtengoed van de Romeinse juristen uiteindelijk in de codificaties van veel Europese landen terechtkomen.

I.2 De regeling van de koop in het Romeinse privaatrecht

Zoals hierboven al aangegeven werd het Romeinse privaatrecht in de klassieke periode door verschillende generaties van juristen geperfectioneerd. In deze tijd traden de Romeinse juristen o.a. op als adviseurs van de magistratuur en van procespartijen. Tot de magistraten die door de juristen werden geadviseerd, behoorden bijvoorbeeld de met de rechtsbedeling belaste praetoren (praetores) en de curulische aedielen (aediles curules), lagere magistraten die o.a. verantwoordelijk waren voor geschillen over op een markt tot stand gekomen transacties.[vii] Aan de praetoren en de aedielen was al vanaf de jongere republiek de taak toevertrouwd om het tot dan toe bestaande recht op basis van de wet van de XII tafelen en de gewoonte (ius civile) aan te passen en te vernieuwen.[viii] Dit gebeurde o.a. door het opstellen van edicten waarin de praetor aan het begin van zijn ambtstermijn meedeelde welke vorderingen (actiones), verweren (exceptiones) en andere rechtsmiddelen hij erkende en met welke schriftelijke standaardteksten (formulae) de procespartijen zich tot de rechter konden wenden. Op deze manier ontstond naast het ius civile het ius honorarium of ius praetorium. Door hun adviserende functie o.a. ten opzichte van de magistraten oefenden de klassieke juristen een grote invloed uit op de rechtsvorming en daarmee op de verdere ontwikkeling van de meeste rechtsfiguren en rechtsinstituten van het Romeinse recht.

Een van de rechtsfiguren die reeds in de klassieke periode tot in de details was uitgewerkt, was de koopovereenkomst (emptio venditio), een wederkerige overeenkomst betreffende het uitwisselen van een zaak (merx) tegen betaling van geld (pretium). De koopovereenkomst was al bij de Romeinen - zeker vanaf de 2e eeuw v. Chr. - een consensuele overeenkomst die vormvrij (mondeling of schriftelijk) tot stand kwam. In het begin was de koop steeds een zgn. handkoop waarbij tegelijkertijd met de levering van de koopwaar de koopprijs moest worden betaald waardoor op hetzelfde moment aan de wederzijdse verplichtingen was voldaan. Later konden de levering en de betaling van het sluiten van de koopovereenkomst worden gescheiden zodat de koop vanaf dat moment een obligatoire overeenkomst was.[ix] Voorwerp van de koop konden zijn: specieszaken, beperkte rechten (bijv. erfdienstbaarheden) en andere vermogensrechten zoals vorderingen. De koop en verkoop van uitsluitend naar soort bepaalde zaken (genuszaken) was niet mogelijk tenzij deze nader waren bepaald (bijv. een precies omschreven paard).[x] De prijs die betaald diende te worden, moest steeds uit een som geld bestaan. De hoogte daarvan kon door de partijen vrijelijk worden vastgesteld, maar de prijs moest wel bepaald (certum) en serieus gemeend (verum) zijn. Er bestond in de klassieke tijd niet zoiets als een rechtvaardige of juiste prijs (iustum pretium).[xi]

Bij de koopovereenkomst bestond de verplichting van de koper uit het moeten betalen van de koopprijs (afdwingbaar met de actio venditi), terwijl de verkoper verplicht was de zaak te leveren aan de koper zodat deze het vrije en ongestoorde bezit verkreeg. Dit betekende echter niet dat de koper eigenaar moest worden van de gekochte zaak.[xii] Daardoor bevond hij zich in een relatief zwakke positie, maar daar stond tegenover dat de verkoper verplicht was hem te vrijwaren voor uitwinning (evictio). In het geval van uitwinning had de koper verschillende mogelijkheden al naar gelang de wijze waarop de zaak aan hem was geleverd. Deze mogelijkheden waren: de actio auctoritatis, de actio ex stipulatu op grond van de stipulatio duplae en - in het begin alleen ingeval van onbehoorlijk gedrag van de verkoper - de actio empti.[xiii] Voor de acties binnen het klassieke ius civile gold geen algemene verjaringstermijn.[xiv]

Naast de bovengenoemde verplichtingen was de verkoper onder bepaalde, hieronder beschreven omstandigheden tevens gehouden om de verkochte zaak zonder gebreken af te leveren. Aan de ene kant gold het beginsel caveat emptor! hetgeen betekende dat de koper zelf moest opletten dat hij geen gebrekkige zaak had gekocht. Aan de andere kant was de verkoper aansprakelijk voor verborgen gebreken (respondeat venditor!). Dit was het geval wanneer de verkoper toezeggingen had gedaan met betrekking tot de afwezigheid van bepaalde gebreken of de aanwezigheid van bepaalde eigenschappen van de verkochte zaak of wanneer hem een gebrek bekend was, maar hij dit welbewust en in strijd met de goede trouw (bona fides) had verzwegen.[xv] Op één afgebakend gebied, namelijk bij de verkoop van slaven, trek- en lastdieren op de markt, werd de aansprakelijkheid van de verkoper voor verborgen gebreken aangescherpt, dit waarschijnlijk vanwege de slechte reputatie die marktkooplieden hadden zodat de hiervoor verantwoordelijke magistraten zich genoodzaakt zagen een omvangrijke regeling uit te vaardigen.[xvi]

I.3 Rechtsmiddelen voor verborgen gebreken bij de koop van slaven, trek- en lastdieren

De aansprakelijkheid van de verkoper voor verborgen gebreken bij de koop van slaven, trek- en lastdieren was geregeld in edicten van de curulische aedielen die o.a. waren belast met de zorg voor de rechtspraak op de markten van Rome. Er was een edict voor de koop van slaven uit de 2e, misschien zelfs de 3e eeuw v. Chr.[xvii] en een edict voor de koop van trek- en lastdieren.[xviii] Volgens deze edicten was de verkoper verplicht de koper te informeren over bepaalde verborgen gebreken (ziekte (morbus) en fysieke tekortkomingen (vitium)[xix]) waardoor het normale gebruik van de verkochte slaaf of het verkochte dier werd beperkt. Dergelijke gebreken waren een chronische ziekte zoals tuberculose of een gebrek zoals stotteren. Bepaalde karakterfouten, zoals een ziekelijke vluchtneiging, werden eveneens als gebrek aangemerkt.[xx] Verder kon de koper op grond van het edict van de verkoper eisen dat deze een garantie gaf voor de afwezigheid van niet opgegeven gebreken, en wel in de vorm van een stipulatio.[xxi] Indien later bleek dat de slaaf of het dier wel dergelijke gebreken had die niet duidelijk zichtbaar waren (in het geval van zichtbare gebreken gold immers de regel caveat emptor!), was de verkoper ook dan aansprakelijk als hij de in het edict voorgeschreven garantie niet had gegeven.

Op basis van de aedielenedicten beschikte de koper over twee rechtsmiddelen, de actio redhibitoria en de actio quanti minoris, en wel in de volgende gevallen: bij verborgen gebreken waarover de verkoper geen mededelingen had gedaan, ingeval van een inbreuk op de gedane toezeggingen en als de verkoper frauduleus had gehandeld. De koper kon met de actio redhibitoria binnen zes maanden nadat het gebrek duidelijk was geworden[xxii], restitutie van de koopprijs tegen teruggave van de gekochte zaak, dus ontbinding van de koopovereenkomst, vorderen. Daarnaast was het voor de koper mogelijk om als hij het gekochte ondanks de gebreken of afwezigheid van de toegezegde eigenschappen toch wilde houden, met de actio quanti minoris binnen twaalf maanden een vermindering van de koopprijs te eisen.

De edicten van de curulische aedielen golden als onderdeel van het ius honorarium alleen voor op de markt gesloten koopovereenkomsten en slechts voor bepaalde zaken, namelijk slaven en vee. Binnen het ius civile was de aansprakelijkheid van de verkoper voor gebreken van de verkochte zaak zeer beperkt omdat hij, zoals gezegd, alleen kon worden aangesproken met de actio empti, indien hij het hem bekende gebrek dolo malo had verzwegen of indien hij bepaalde toezeggingen had gedaan die niet op de werkelijkheid bleken te berusten. Daar kwam in de eerste eeuw n. Chr. verandering in onder invloed van de jurist Labeo.[xxiii] Vanaf dat moment werd algemeen aanvaard dat de verkoper steeds verplicht was om deugdelijke waar te leveren. In de eerste helft van de tweede eeuw n. Chr. werd de aansprakelijk­heid van de verkoper die te goeder trouw was, beperkt. Deze hoefde, als hij werd aangesproken met de actio empti, alleen het bedrag te vergoeden dat de zaak door het gebleken gebrek minder waard was, en niet meer alle schade die de koper door de gebrekkige zaak had geleden.[xxiv] Op deze wijze is het beginsel van de actio quanti minoris in het ius civile terechtgekomen. En ook de actio redhibitoria is via de algemene actio empti als actie ex fide bona langzamerhand in het ius civile terechtgekomen.[xxv]

Zoals uit het voorgaande blijkt, waren de specifieke acties van de aedielen in de klassieke tijd reeds overbodig geworden. Het zou een logische stap zijn geweest voor de Oost-Romeinse keizer Justinianus om deze acties in het kader van zijn wetgeving af te schaffen[xxvi], maar dit is niet gebeurd. De door de aedielen ontwikkelde regeling werd van toepassing verklaard op alle koopovereenkomsten terwijl daarnaast ook nog steeds met de actio empti kon worden opgetreden. De acties uit de aedielenedicten bleven dus bestaan en kwamen via de receptie van het Romeinse recht in de Middeleeuwen uiteindelijk in de codificaties van de verschillende Europese landen terecht, zo ook in de Nederlandse (art. 1543-1544 oud-BW).

Over de regeling van de verborgen gebreken in het oude en in het nieuwe BW gaat het volgende hoofdstuk.

II Verborgen gebreken in het Nederlandse recht


II.1 De verborgen-gebreken-regeling in het oude Burgerlijk Wetboek

Via de receptie van het Romeinse recht door middel van bestudering van het Corpus Iuris Civilis van keizer Justinianus zijn zowel de actio empti in de vorm van de algemene regeling van de wanprestatie als de aedielenacties actio redhibitoria en actio quanti minoris in de vorm van de regeling van de verborgen gebreken in de wetgeving van verschillende Europese landen terechtgekomen. Het Nederlandse wetboek van 1838 berustte voor een groot deel op de Franse Code Civil en was daardoor[xxvii] en door de infiltratie van het Romeinse recht in het inheems-Hollandse recht gebaseerd op Romeins-rechtelijke grondslagen.[xxviii] De regeling van de koop in het Romeinse recht had, zoals in hoofdstuk I al vermeld, slechts betrekking op geïndividualiseerde zaken (een genuskoop was in het Romeinse recht tenslotte niet bekend).[xxix] Daarentegen zag de regeling van de koop in het BW van 1838 (hierna ook oud-BW genoemd) in beginsel ook op de genuskoop met een aantal uitzonderingen, bijv. ten aanzien van de verborgen gebreken.

De regeling van de verborgen gebreken was te vinden in art. 1540-1548 oud-BW, een bijna letterlijke vertaling van de betreffende bepalingen in het Franse wetboek. Het opnemen van deze regeling in het oude Nederlandse wetboek was nodig omdat in het recht ten tijde van de invoering van het BW van 1838 niet algemeen erkend was dat een verborgen gebrek van een verkochte zaak wanprestatie opleverde. In 1941 besliste de Hoge Raad[xxx] dat een koper zich in het geval van een verborgen gebrek niet kon beroepen op wanprestatie waarvoor een algemene verjaringstermijn van 30 jaar gold. Dit had tot gevolg dat de rechtsvordering bij een verborgen gebrek steeds binnen een zeer korte termijn moest worden ingesteld (art. 1547 oud-BW; voor dieren gold zelfs een termijn van zes weken).[xxxi] Weliswaar werd dit nadeel deels opgeheven doordat de Hoge Raad bepaalde dat de termijn pas inging op de dag dat de koper het gebrek had ontdekt of had kunnen ontdekken[xxxii], maar desondanks ontstond er - ook vanwege het andere nadeel van de regeling, namelijk dat de aansprakelijkheid van de verkoper die te goeder trouw was, naast terugbetaling van (een deel van) de koopprijs was beperkt tot de kosten voor koop en levering (art. 1545 oud-BW) - een enorme stroom van kritiek op deze regeling.[xxxiii] Omdat ook de Hoge Raad de ongewenste gevolgen van zijn eigen uitspraak uit 1941 inzag, beperkte hij de toepasselijkheid van de artikelen 1540-1547 tot de specieskoop.[xxxiv]

Daarmee was duidelijk dat de regeling van de verborgen gebreken derogeerde aan de regeling van de wanprestatie. Alleen als de partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend een garantie waren overeengekomen, kon de koper een beroep doen op de regels van de wanprestatie en daarmee ontkomen aan de toepasselijkheid van de regeling van de verborgen gebreken.[xxxv] Een goed voorbeeld voor het aannemen van een stilzwijgende garantie zijn de Steendijkpolder-arresten[xxxvi] waarin het ging om de verkoop van bouwgrond onder de verplichting voor de koper om op deze grond woningen te realiseren. Hier werd ervan uitgegaan dat de verkoper daarmee stilzwijgend had gegarandeerd dat de verkochte grond ook daadwerkelijk voor bebouwing geschikt was. Omdat dit in deze casus ten gevolge van bodemverontreiniging niet het geval was, kon de koper een beroep doen op wanprestatie. Een ander voorbeeld waarin een stilzwijgende garantie werd aangenomen, is het geval van een verkoop van een tweedehands auto waarbij later bleek dat de stand van de kilometerteller niet in overeenstemming was met de werkelijkheid.[xxxvii] Ondanks het in de koopovereenkomst opgenomen standaardbeding "Koper koopt de auto op eigen bate en schade" was in dit geval een beroep op dwaling door de koper niet uitgesloten omdat een stilzwijgende garantie van de verkoper met betrekking tot de juistheid van de kilometerstand werd aangenomen.

Behoudens de gevallen waarin de verkoper (uitdrukkelijk of stilzwijgend) een garantie had afgegeven, had de koper onder het recht van het wetboek van 1838 in het geval van verborgen gebreken slechts de keuze uit twee rechtsmiddelen die in de volgende paragraaf worden besproken.

II.1.1 Rechtsmiddelen voor verborgen gebreken

De twee rechtsmiddelen waarover de koper kon beschikken als hij tot de ontdekking was gekomen dat de door hem gekochte zaak een gebrek had, waren de aan het Romeinse recht ontleende actio redhibitoria en de actio quanti minoris (art. 1543 oud-BW). Net als de Romeinse actie was het eerstgenoemde rechtsmiddel gericht op de ontbinding van de koopovereenkomst. De gekochte zaak kon worden teruggegeven met terugbetaling van de koopprijs. Indien het niet mogelijk was om de zaak terug te geven (bijv. vanwege doorverkoop of verbruik) of indien de koper de zaak ondanks het gebrek wilde houden, kon hij de actio quanti minoris instellen. De koopovereenkomst bleef dan bestaan, maar de koper had recht op restitutie van een deel van de koopprijs waarvan de hoogte werd bepaald door de rechter. Evenals in het Romeinse recht werd in het oude Nederlandse Burgerlijk Wetboek een onderscheid gemaakt tussen een verkoper te kwader trouw en een verkoper te goeder trouw. De aansprakelijkheid van de laatstgenoemde was naast terugbetaling van (een deel van) de koopprijs beperkt tot vergoeding van de koopprijs en de kosten voor koop en levering (art. 1542 jo. 1545 oud-BW). Als de verkoper van het gebrek op de hoogte was, moest hij naast (een deel van) de koopprijs ook alle schade vergoeden die een gevolg was van het gebrek (art. 1544 oud-BW).

In de hierboven omschreven regeling inzake de verborgen gebreken volgens het oude Burgerlijk Wetboek kon de koper dus bijv. in het geval van de koop van een bepaald gezond paard een beroep doen op uitsluitend de boven beschreven twee rechtsmiddelen als dit paard een gebrek bleek te hebben. Daarentegen kon hij wel een beroep doen op wanprestatie als hem in plaats van het gezonde paard waarop de koopovereenkomst betrekking had, een ander (gezond of ziek) paard werd geleverd, dit omdat de verkoper in dat geval zijn leveringsplicht niet had vervuld. Ter voorkoming van dergelijke discrepanties en vanwege de zeer beperkte toepassing van de betreffende artikelen - uitsluitend voor specieszaken - werd door de wetgever van het NBW besloten de regeling inzake de verborgen gebreken af te schaffen.

II.2 Verborgen gebreken in het nieuwe Burgerlijk Wetboek

Vanaf de invoering van titel 7.1 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek per 1 januari 1992[xxxviii] (hierna ook afgekort met NBW) werd geen onderscheid meer gemaakt tussen de koop van een specieszaak en de koop van een genuszaak. Indien een gekochte zaak een verborgen gebrek had, viel dit onder het begrip "niet beantwoorden aan de overeenkomst" (ofwel: non-conformiteit) (art. 7:17 NBW). Deze conformiteitseis was ontleend aan de LUVI[xxxix] waarop met name het eerste voorontwerp van het nieuwe wetboek gebaseerd was[xl], en stond ook in de opvolger van de LUVI, het Weens Koopverdrag van 1980 (in Nederland in werking getreden op 1 januari 1992). In lid 2 en 3 van artikel 7:17 NBW worden voorbeelden van gevallen opgesomd waarin een zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Lid 2 heeft betrekking op een ondeugdelijke en gebrekkige zaak terwijl lid 3 ziet op het leveren van een andere zaak dan overeengekomen waarmee de discrepanties van het aan het einde van de vorige paragraaf beschreven voorbeeld zijn opgeheven omdat beide situaties nu onder het overkoepelende begrip non-conformiteit vallen.

In de derde afdeling van titel 1 van boek 7 NBW worden de bijzondere gevolgen van de niet-nakoming van de verplichtingen van de verkoper besproken. Art. 7:22 is in deze afdeling opgenomen om duidelijk te maken dat nu aan de koper alle vorderingen uit het verbintenissenrecht ten dienste staan, dit in tegenstelling tot de tot aan de invoering van het NBW bestaande situatie waarin de acties op grond van verborgen gebreken een derogerende werking hadden. In art. 7:21 worden de mogelijke acties van de koper opgesomd voor het geval dat de gekochte zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt.

II.2.1 Rechtsmiddelen bij non-conformiteit

Indien de gekochte zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, d.w.z. indien er enig verschil is tussen de zaak die onderwerp van de koopovereenkomst was, en de zaak die geleverd is, heeft de koper blijkens art. 7:21 lid 1 NBW recht op aflevering van het ontbrekende (sub a), herstel (sub b) of vervanging van de zaak (sub c). Lid 1 sub a heeft betrekking op het geval dat de afgeleverde zaak naar getal, maat of gewicht van de overeengekomen zaak afwijkt. Volgens lid 1 sub b heeft de koper recht op herstel van de zaak indien dit voor de verkoper mogelijk is en van hem mag worden gevergd. Hier wordt dus rekening gehouden met de positie van de verkoper. Een dergelijke belangenafweging is ook te vinden bij de derde nakomingsactie van de koper (lid 1 sub c). Terwijl de vordering tot herstel is gericht op verbetering van de afgeleverde zaak, ziet de vordering tot vervanging op het leveren van een andere zaak dan de afgeleverde tegen teruggave van de reeds ontvangen zaak aan de verkoper. Voor de in eerste instantie geleverde zaak zou dit neerkomen op een ontbinding van de overeenkomst, maar tegelijkertijd met de teruggave van de eerstgeleverde zaak wordt een nieuwe zaak geleverd waardoor de koopovereenkomst dus in stand blijft.

De voorwaarden en de termijn die de koper bij een beroep op de nakomingsacties van art. 7:21 NBW in acht moet nemen, zijn te vinden in art. 7:23. Op straffe van het verval van een beroep op art. 7:21 lid 1 moet de koper binnen bekwame tijd nadat de koper de non-conformiteit heeft ontdekt of had kunnen ontdekken (onderzoeksplicht), dit aan de verkoper meedelen. In twee gevallen geldt de onderzoeksplicht niet, namelijk als de verkoper een bepaalde eigenschap heeft toegezegd die aan de afgeleverde zaak ontbreekt en als de verkoper een afwijking die hij kende of had moeten kennen, niet heeft gemeld. Art. 7:23 lid 2 bepaalt dat de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen vanwege non-conformiteit twee jaar bedraagt.

Het bovenstaande laat zien dat de oude Romeinse acties actio redhibitoria en actio quanti minoris met de invoering van het NBW uit de kooptitel verdwenen zijn. Het zou echter maar 11 jaar duren totdat deze acties - onder invloed van Europese regelgeving - daarin zouden terugkeren.

III Verborgen gebreken onder invloed van de Europese regelgeving


III.1 Richtlijn 1999/44/EG betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen

In dit hoofdstuk staat richtlijn 1999/44/EG centraal. Deze richtlijn - hierna ook de richtlijn consumentenkoop genoemd - heeft grote invloed gehad op de wetgeving van de Europese lidstaten op het gebied van de koop van roerende zaken tussen een consument en een professionele verkoper, met name voor de rechtsmiddelen van de koper in het geval van gebreken van de gekochte zaak (non-conformiteit). In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk zullen de doelstellingen van de richtlijn aan de orde komen waarna artikelsgewijs de inhoud van de richtlijn zal worden besproken.

De richtlijn consumentenkoop dateert van 25 mei 1999. Evenals met de vele andere richtlijnen op privaatrechtelijk gebied[xli] wordt met deze richtlijn beoogd de nationale wetgevingen te harmoniseren.[xlii] Harmonisatie van de wetgevingen is noodzakelijk om het primaire doel van de Europese Gemeenschap te realiseren: de instelling van een gemeenschappelijke markt (art. 2 EG-verdrag). Een tweede doelstelling van de richtlijn is volgens de preambule (sub 5) het realiseren van een gemeenschappelijke minimale regelgeving op het gebied van de consumenten­bescherming binnen de EG. Dit doel berust op art. 153 leden 1 en 3 van het EG-verdrag waarin is bepaald dat de Gemeenschap bijdraagt tot de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming. De reden waarom deze richtlijn beperkt is tot "bepaalde aspecten" van de verkoop van consumptie­goederen (namelijk de non-conformiteit), is eveneens verwoord in de preambule (sub 6). Daarin wordt gesteld dat de grootste problemen van de consument en de belangrijkste conflicten met de verkoper voortvloeien uit het gebrek aan overeenstemming van de gekochte goederen met de overeenkomst.

In art. 1 van de richtlijn zijn bepalingen betreffende de werkingssfeer en definities van in het kader van deze richtlijn gebruikte begrippen te vinden. Daaruit valt af te leiden dat de richtlijn alleen geldt voor bepaalde overeenkomsten, namelijk overeenkomsten betreffende roerende lichamelijke zaken gesloten tussen een natuurlijke persoon die niet handelt in het kader van het uitoefenen van een beroep of bedrijf (consument), en een natuurlijke of rechtspersoon die dat wel doet (verkoper). Het toepassingsgebied van de richtlijn wordt verder daardoor beperkt dat deze alleen bepaalde remedies van de koper behandelt, namelijk de acties tot nakoming, ontbinding en vermindering van de koopprijs. Niet geregeld zijn bijv. de vordering tot schadevergoeding en opschorting of enige door de verkoper in te stellen actie.

De centrale bepaling van de richtlijn is art. 3 lid 1. Daarin is neergelegd dat de verkoper tegenover de consument aansprakelijk is voor elk gebrek aan overeenstemming bij de aflevering van de gekochte goederen. In art. 2 lid 2 is aangegeven wat wordt verstaan onder het begrip "gebrek aan overeenstemming". Een gebrek aan overeenstemming met de overeenkomst bestaat indien het gekochte niet in overeenstemming is met de door de verkoper gegeven beschrijving (sub a), niet geschikt is voor het overeengekomen bijzondere gebruik (sub b) en niet geschikt is voor het gebruik waartoe goederen van dezelfde soort gewoonlijk dienen (sub c). Daarmee vallen zowel zichtbare als verborgen gebreken en zowel gebreken ten aanzien van de feitelijke status als ten aanzien van de juridische status van een zaak onder de definitie van de non-conformiteit tenzij het gebrek ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bij de consument bekend was of redelijkerwijs niet onbekend kon zijn (art. 2 lid 3). Er wordt uitgegaan van de verwachtingen van de consument die deze ook mag afleiden uit door de verkoper, de producent of diens vertegenwoordiger publiekelijk gedane mededelingen (lid 2 sub d).[xliii] Met dit laatste wordt in belangrijke mate tegemoet gekomen aan de belangen van de consument. Een ander groot voordeel voor de consument biedt art. 5 lid 3. Daarin is bepaald dat een gebrek aan overeenstemming wordt vermoed reeds bij de aflevering aanwezig te zijn geweest als het zich binnen zes maanden na aflevering openbaart. Dit impliceert dus een omkering van de bewijslast voor het gebrek aan overeenstemming.

De termijn voor de aansprakelijkheid van de verkoper ten gevolge van non-conformiteit blijkt uit art. 5 lid 1 van de richtlijn en bedraagt twee jaar vanaf de aflevering[xliv] waarbij aan de lidstaten de mogelijkheid wordt geboden om te bepalen dat de consument binnen twee maanden nadat hij de non-conformiteit heeft vastgesteld, de verkoper daarover moet inlichten (art. 5 lid 2). Of de lidstaten deze regel ten nadele van de consument invoeren, is aan hen zelf overgelaten.

De acties van de koper ingeval van non-conformiteit zijn te vinden in art. 3 van de richtlijn. De acties zijn hiërarchisch geordend: in eerste instantie moet/kan de koper aanspraak maken op kosteloos herstel of kosteloze vervanging van de goederen behalve als dit onmogelijk is of van de verkoper niet gevergd mag worden (art. 3 lid 3). Dit laatste is het geval als het herstel of de vervanging voor de verkoper onredelijk hoge kosten met zich mee zou brengen. Pas als de koper geen recht heeft op herstel of vervanging of als de verkoper daartoe niet overgaat of niet over kan gaan, heeft de koper de keuze uit de twee andere remedies. Hij kan een passende vermindering van de koopprijs (actio quanti minoris) of een ontbinding van de overeenkomst (actio redhibitoria) verlangen (lid 5); een ontbinding is echter alleen mogelijk als het gebrek aan overeenstemming niet van te geringe betekenis is (lid 6). Omdat de richtlijn de bescherming van consumenten beoogt, is het vanzelfsprekend dat de in deze richtlijn geboden remedies van de koper niet door middel van een exoneratie­clausule in de koopovereenkomst mogen worden beperkt of uitgesloten. Daarom bepaalt art. 7 dat de consument niet aan dergelijke clausules gebonden is.

Verder is nog te wijzen op art. 4 van de richtlijn dat betrekking heeft op het regresrecht. Ingeval van aansprakelijkheid van de verkoper voor non-conformiteit die te wijten is aan de producent van het verkochte, een eerdere verkoper of een andere tussenpersoon, kan de eindverkoper - en dus niet de consument - verhaal nemen op deze voorschakels.

Ten slotte vinden we in art. 11 de termijn voor de omzetting van de richtlijnbepalingen in het nationale recht van de lidstaten. De lidstaten dienden ervoor te zorgen dat de richtlijn uiterlijk op 1 januari 2002 in hun wetgeving geïmplementeerd was.



[i] zie bijv. In de Strengen, magazine voor paardensport en fokkerij, 64e jaargang, 19 december 2002, p. 72, en 66e jaargang, 28 oktober 2004, p. 37, en St. Georg, Das Pferdemagazin für Reiter und Züchter, juli 2004, p. 68, en september 2004, p. 58
[ii] keizer Justinianus regeerde van 527-565 n. Chr.
[iii] Hausmaninger/Selb 2001, p. 3
[iv] Met het begrip ius worden de werken van de juristen aangeduid die bindende uitspraken over het geldende recht bevatten.
[v] Spruit 2003, p. 49-50
[vi] afbraak van het hoogontwikkelde klassieke rechtssysteem
[vii] Kaser/Knütel 2003, p. 268
[viii] Kaser/Knütel 2003, p. 27
[ix] Kaser/Knütel 2003, p. 254-255
[x] Spruit 2003, p. 293
[xi] Spruit 2003, p. 297, en Hausmaninger/Selb 2001, p.230
[xii] Spruit 2003, p. 303
[xiii] Zie voor een gedetailleerde beschrijving van deze mogelijkheden Feenstra 1994, p. 203-204, en Kaser/Knütel 2003, p. 265 e.v.
[xiv] Kaser/Knütel 2003, p. 50
[xv] Hausmaninger/Selb 2001, p. 242 e.v.
[xv1]Zimmermann 1990, p. 311
[xvii] D.21,1,1,1; zie Kaser/Knütel 2001, p. 268
[xviii] D.21,1,38 pr./5
[xix] het precieze verschil tussen deze twee begrippen was omstreden; zie Zimmermann 1990, p. 314 e.v.
[xx] omvangrijke casuïstiek te vinden in de eerste 15 fragmenten van boek 21, titel 1 van de Digesten: „De aedilicio edicto et redhibitione et quanti minoris" (vertaling: Spruit/Feenstra/Bongenaar 1996)
[xxi] zie voor een uitgebreide uitleg van dit begrip Spruit 2003, p. 276 e.v.
[xxii]Zimmermann 1990, p.318
[xxiii] Zimmermann 1990, p. 320, en Asser/Hijma 5-I 2001, p. 322
[xxiv] Verhoeven, AA 1990, p. 499
[xxv] Zimmermann 1990, p. 320-321
[xxvi] Door sommigen wordt overigens aangenomen dat de actio quanti minoris überhaupt pas onder Justinianus tot stand is gekomen maar deze opvatting is niet algemeen erkend; zie Schulz 1992, voorwoord en p. 537.
[xxvii] Verhoeven, AA 1990, p. 495
[xxviii] voor een korte beschrijving van de receptie van het Romeinse recht in Nederland zie Zwalve 2003, p. 48 e.v.; voor een uitgebreide beschrijving van de receptie in verschillende Europese landen zie Koschaker 1997, p. 124 e.v.
[xxix] Kaser/Knütel 2003, p. 256
[xxx] HR 27 juni 1941, NJ 1941, 781
[xxxi] Verhoeven, AA 1990, p. 501
[xxxii] HR 4 april 1952, NJ 1953, 396
[xxxiii] zie Asser/Hijma 5-I 2001, p. 323 e.v., met verwijzingen
[xxxiv] HR 3 april 1970, NJ 1970, 252
[xxxv] HR 10 mei 1963, NJ 1963, 288
[xxxvi] HR 9 oktober 1992, NJ 1994, 287 en 289
[xxxvii] HR 25 juni 1993, NJ 1994, 291 (Gerards/Vijverberg)
[xxxviii] gebaseerd op twee voorontwerpen: het voorontwerp van boek 7 (1972) en het voorontwerp inzake de consumentenkoop (1978)
[xxxix] Loi Uniforme sur la Vente Internationale des objets mobiliers corporels (Eenvormige wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken) 1964, in Nederland in werking getreden in 1972
[xl] Hartkamp, AA 1990, p. 295 e.v.
[xli] Richtlijn 86/653 inzake de zelfstandige handelsagent, Richtlijn 90/314 inzake de reisovereenkomst, Richtlijn 93/13 inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten
[xlii] "in de mate waarin dat voor de werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is" (art. 3 sub h EG-verdrag)
[xliii] behoudens de in lid 4 genoemde gevallen waarin de verkoper niet gebonden is aan de gedane mededelingen
[xliv] behalve eventueel voor tweedehandsgoederen, zie art. 7 lid 1


pag. 1 | pag. 2 | pag. 3